Geschiedenis

WINDVOGELS

Van oudsher zijn in de diverse culturen vogels de verbindingstekens tussen hemel en aarde, tussen de mensenwereld en die van de goden. Ze symboliseren de algemeen menselijke droom om de aarde te ontstijgen, de lasten achter te laten en licht en vrij te worden als een vogel. Vandaar ook dat vele vliegers de vorm van vogels hebben gekregen. ‘Windvogels’, noemde ik ze als kind. ‘Papagaio’ heten ze in Portugal. ‘Feng-zheng’ worden vliegers in China genoemd en dit houdt een verwijzing in naar de levengevende goddelijke wind, voorgesteld als een vogel (zie afb. 1 en 2). In Indonesië worden vliegers als boodschappers van de goden aanzien. Ze symboliseren ook de mens die loskomt van zijn aardse behoeften en verlangens.

Ook worden de godsdienstige verhalen uit het hindoeïsme op vliegers afgebeeld. Populair zijn de figuren uit de geschiedenis van Râmâyana. Râma is de verschijningsvorm op aarde van de god Vishnu. Hij werd als prins eerst verbannen uit het paleis en moest in een bos leven. Daarna redt hij zijn vrouw Sitâ uit de handen van de duivelse koning Ravana met behulp van Hanoeman en zijn apenleger. Waarna hij uiteindelijk terugkeert om een rechtvaardige en wijze koning te worden. Het verhaal beklemtoont het belang van trouw, waarheid en liefde en laat zien hoe het goede het kwade overwint. Vooral tijdens het Doesehra-feest – waarin gevierd wordt dat ‘het goede uiteindelijk overwint’ – worden ze ritueel herdacht met theaters, vuurwerk en vliegers.

In China worden vruchtbaarheidsvliegers opgelaten boven de rijstvelden. De vleugelpunten en de staart dragen bosjes rijst. Door het schudden van de vlieger in de wind worden de rijstkorrels uit de aren over de velden gestrooid, als symbool van bevruchting en om een overvloedige oogst op te roepen. De wind draagt de zaden uit en is dus vruchtbaar. Men gelooft er ook dat zeer hoge vliegers kunnen raken aan de spirituele wereld en dat ze al het aardse onheil kunnen wegdragen.

Op de vijfde dag van de vijfde maand wordt op vele plaatsen in Japan het jongensfeest gevierd. Gezinnen waarin een jongen geboren werd, hijsen veelkleurige windzakken in de vorm van een karper in de lucht, ‘Koinobori’ genoemd. Deze vis vecht zich elk jaar stroomopwaarts tegen welhaast onneembare hindernissen naar de paaigronden. Dit staat symbool voor de vooruitgang van de jongen op de levensstroom. De Japanse naam voor vlieger is ‘dako dako’, hetgeen (inkt)vis betekent. Niet zo vreemd, als je weet dat vis in de voedselvoorziening van de Japanner onontbeerlijk is en dat daarom ook vliegers worden gebruikt bij het vissen (zie afb. 3 en 4). In Senegal spreken ze van ‘nauw-tal’, vertaald: vliegende vis.

In Korea was het lange tijd de gewoonte om bij het begin van het nieuwe jaar de naam en de geboortedatum van een zoon op een papieren vlieger te schrijven en deze op te laten. Wanneer deze op z’n hoogste punt was, werd hij losgelaten. De vlieger droeg dan alle ongeluk en kwade invloeden ver weg zodat ze geen negatieve werking op het kind konden uitoefenen. Wie de weggezonden vlieger vindt en opraapt, krijgt al het kwaad over zich heen. Ook maakt men bij die eerste twee weken van het nieuwe maanjaar vliegers met het opschrift: “Dat alle zorgen van het afgelopen jaar met deze vlieger weg mogen vliegen.”


De strijd om de vruchtbare gronden tussen families werd in Japan vaak symbolisch uitgevochten met ‘vechtvliegers’, waarbij ze elkaars koorden probeerden door te snijden met behulp van gemalen glas dat op het vliegertouw was aangebracht (> de Vliegeraar!). Bekend zijn de ‘Hata’s’ uit Nagasaki waar vechtvliegeren een sport is geworden. Een andere bekende vechtvlieger is de ‘Sanjo Rokkaku’ waar de Samoerai-krijgers met hun wapens op werden afgebeeld. Zo leek het alsof de krijgers zelf in een luchtgevecht gewikkeld waren. De zeer speciale en ingewikkelde Onijotsjo-vliegers uit West-Japan beelden schrikwekkende demonen uit en soms ook samoerai-krijgers (zie afb. 5 en 6).

Vliegers krijgen ook de vorm van bepaalde insecten en van vlinders. Deze laatste beelden de menselijke verlangens uit om het concrete bestaan om te buigen: de metamorfose van aardworm tot vlinder om het aardse te ontstijgen (zie afb. 7).
Tijdens het Japanse nieuwjaarsfeest Shogatsu gaan de mensen naar de tempels om te bidden voor vrede en geluk en vereren ze elkaar met bezoeken om elkaar zegen en heil toe te wensen. Ook neemt men uitgebreid de tijd om vliegers op te laten. Veel vliegers zijn beschilderd met ‘karakters’, de schrifttekens die hun betekenissen beeldend weergeven. Zo is het teken van de schildpad en de kraanvogel populair op vliegers omdat ze een lang leven verzinnebeelden. Ook het teken van de draak die voorspoed brengt is populair.

Tijdens het boeddhistische Songkranfeest leveren een grote mannelijke vlieger – ‘Chula’ genaamd – en kleine vrouwelijke vliegertjes – de ‘Pakpao’ – strijd met elkaar. De kleine vliegertjes moeten daarbij met hun snijtouwen de grote vlieger proberen te strikken en neer te halen. ‘Karuna’ is een boeddhistisch begrip wat betekent: een niets of niemand uitsluitende verbondenheid en hulp aan mensen in nood. Zo worden bij feesten vliegers opgelaten als teken van verbondenheid.

In Thailand laat men tijdens de moesson vliegers op met een beroep op de wind om lang en hard te blijven blazen zodat de regenwolken weggeblazen worden en de oogst bewaard blijft.

Indrukwekkend is de ‘Janggaan’-vlieger uit Bali. De tien meter grote vogelkop wordt versierd met hibiscusbloemen en grassoorten. De kop draagt een zeer brede en lange staart van wel tachtig meter. De staart symboliseert de onuitputtelijke voedselvoorziening. Het is een vergelijkbare uitbeelding van het christelijke gebed ‘Geef ons heden ons dagelijks brood’ .

In Guatemala worden bij de dodenherdenking van Allerheiligen zeer grote en kleurrijke vliegers opgelaten om de geesten van de voorouders op te roepen. Een christelijke interpretatie hiervan is dat de ziel van de overledene door de vlieger sneller naar de hemel wordt gevoerd en daar kan waken over hen die beneden bleven. De vliegers vormen een verbinding tussen het hier en het hiernamaals, tussen de hemel en de aarde. Deze zeer kleurrijke vliegers worden tevens gebruikt om de komst van een heldere hemel te vieren na de regentijd. Ze vertonen enige gelijkenis met de gebruiken in Thailand (zie afb. 8).

 

Wetenschappers vermoeden dat Inca-indianen met vliegers en warme luchtballonnen rituelen uitvoerden voor hun goden. De befaamde Nasca-tekeningen (reusachtige, kilometerslange geulen als tekeningen in het landschap, die alleen maar vanuit de lucht bekeken kunnen worden) zouden slechts gemaakt kunnen zijn met begeleiding vanuit de lucht door vliegers en warme luchtballonnen.
Het jeugdboek Het oog van de gouden god van Carolyn F. Logan vertelt het verhaal van Huascar, een jongen uit een arm Quetchua-indiaans gezin. Zijn alledaagse leven wordt getekend door zijn verworteling in de oude Inca-cultuur. De twee verhaallijnen – van vroeger en nu – lopen constant door elkaar. In het boek wordt een ritueel feest beschreven (zoals de huidige Aymara en Quetchua-indianen daar vandaag de dag nog onderdelen van vieren) waarbij priesters aan vliegers de lucht in worden getrokken en het touw gelost. Gedragen door de luchtstromen blijven zij dan lange tijd in de lucht zweven (vergelijkbaar met onze hedendaagse delta-vliegers) en vertegenwoordigen zo het oog van de gouden god. De priesters aanschouwen hoog in de lucht – als goden gezeten – de tekeningen die het indiaanse volk voor haar godheid gemaakt heeft.

HET OOG VAN DE GOUDEN GOD

Met een kleur van opwinding keek Huascar samen met Jasqui naar de vastgebonden vleugels. Ze werden opgetild door de mannen die er naast stonden en onder iedere vleugel werd een man in een tuig geholpen dat aan de vleugel was bevestigd. De mannen onder de vleugels legden hun handen om een stok, die eveneens aan de vleugel was bevestigd.

“Ga nu! Vlieg naar Oog van de Gouden God!” riep Jasqui.

Op een teken van het priesterkoor zetten de mannen die de touwen van de eerste vlieger in hun handen hielden zich in beweging. Eerst op een drafje, daarna steeds sneller renden ze tegen de wind in door de brede geul en langzaam steeg de vlieger op en voerde de man mee in zijn tuig van touw.

“Naar het Oog! Naar het Oog!” zong Huascar met de andere jongens en mannen, die nu onder de opstijgende vlieger dansten. Toen de vlieger hoog genoeg was gestegen, maakten de mannen die hem in de wind hadden getrokken één uiteinde van ieder touw los en trokken aan het andere. Nu zweefde de vlieger met zijn kleurige wapperende staartlinten vrij in de lucht, slechts bestuurd door de man die er onder hing.

Hoger en hoger cirkelde de vlieger boven de pampa, gedragen door de wind, aangemoedigd door de kreten van de toeschouwers, het trompetgeschal en de mysterieuze zang van de priesters.

“Arree! Prachtig!” brulde Jasqui.

Huascar was sprakeloos van verbazing en bewondering. Ze vlogen! Die mannen vlogen door de lucht! “Ze zijn het Oog van de Gouden God”, schreeuwde hij.

(uit: Carolyn F. Logan, Het oog van de gouden god, Elzenga, Amsterdam, 1990, p. 115-116)

Op de Nederlandse Antillen kent men het gebruik om naar aanleiding van het overlijden van kinderen een vlieger op te laten en aan de wind prijs te geven zodat de wind de herinnering van het kind met zich meedraagt. In de zomer van 1996 werd tijdens het vliegerfeest in Oostende naar aanleiding van de moord op de kinderen Julie en Melissa (affaire Dutroux) een vlieger gemaakt en ter hunner gedachtenis opgelaten (zie afb. 9).

 

In de joods-christelijke godsdienst zijn geen gebruiken of feesten met vliegers bekend. Maar het beeld van de gevleugelde arend waarvan vele vliegers (windvogels) zijn afgeleid, is het beeld van de bevrijdende God die de mens in de chaos en de onderdrukking nabij is. “Met eigen ogen hebt gij gezien, hoe ik ben opgetreden tegen Egypte, hoe ik u op arendsvleugelen gedragen hier bij mij heb gebracht.” (Exodus 19, 4).

In de vliegercultuur vindt men veel drakenmotieven. Het Duitse woord voor vlieger is ‘Drache’, wat letterlijk ‘draak’ betekent. De draak symboliseert in de meeste culturen het draconische, het demonische, het destructieve, het kwade. Dat is evenwel niet zo in bepaalde delen van Japan en van China waar de draak juist het geluk symboliseert (zie afb. 10 en 11).

In de bijbel komt het draakmotief meermaals voor; het meest uitgesproken in het boek Openbaringen. De draak symboliseert de verdrukkende en vervreemdende krachten van de heersende samenleving. Daartegenover symboliseert de vrouw het weerstaan aan deze destructieve machten. De draak wordt uiteindelijk overwonnen door het gewonde en doorstoken Lam, symbool van de lijdende dienaar (Jezus Christus). Het kondigt de komst aan van de stad van vrede, het nieuwe Jeruzalem.

(Gedeelte uit een artikel van Jean Agten in het tijdschrift School en Godsdienst 1997/3-4)

 

Terug naar overzicht

Het begin van de vliegerhistorie verliest zich in verhalen over het verdrijven van boze geesten en krijgslisten met behulp van toestellen die hoogstwaarschijnlijk vliegers zijn geweest.

Volgens de Britse luchtvaarthistoricus C.H. Gibbs-Smith moet de vlieger reeds drieduizend jaar geleden in China zijn gebruikt. Ruim vijf zesde deel van de hele vliegergeschiedenis speelde zich af buiten Europa, vooral in China, Thailand, Japan en India, evenals in Indonesië en Oceanië. Pas na de middeleeuwen vinden we enkele spaarzame berichten over Europese vliegers, “vliegende draken”. De eerste afbeeldingen dateren uit de 15e en 16e eeuw.

ges1

Algemeen bekend als kinderspeelgoed werden vliegers in Europa pas in de 17e eeuw.
Wetenschappelijke belangstelling trok de vlieger in het westen eerst een eeuw later.
In 1749 wist Alexander Wilson met gekoppelde vliegers de temperatuur van de atmosfeer
op grote hoogte te meten. Drie jaar later bewees Benjamin Franklin in Amerika met behulp
van een vlieger dat onweer een elektrisch verschijnsel is.

ges2

 De gehele 19e eeuw door zijn er in het westen veel grote vliegers gebouwd. Sommige daarvan waren bedoeld als voorstudie voor bemande luchtvaart. Na vele vliegerexperimenten in de laatste jaren van de eeuw door de Wrights, slaagden zij er in 1903 in, het eerste succesvolle vliegtuig te bouwen, voortgestuwd door een zelfgemaakte benzinemotor. Daarop volgde een stormachtige ontwikkeling van het vliegtuig, waarbij tegelijk de toenmalige publieke belangstelling voor de vlieger in het niet zonk, zodat deze wederom kinderspeelgoed werd.

ges3

In de tweede helft van de twintigste eeuw waren er eerst in Amerika en weldra ook in Engeland weer vliegers die aandacht trokken van volwassenen. Er kwamen nieuwe materialen beschikbaar, nieuwe toepassingen en steeds meer volwassenen ontdekten opnieuw de vlieger als hobby. De belangstelling spreidde zich in het laatste kwart van de eeuw razendsnel over de gehele wereld uit.

ges4

 

In de landen waar de vlieger nog traditioneel van oudsher  bestond werden nieuwe contacten met het westen gelegd. Men sprak in de jaren tachtig van een vlieger renaissance. Naast een hernieuwde aandacht voor de nationale vliegers in diverse Aziatische landen kwamen er talloze nieuwe ontwerpen bij. Bestonden er vanaf de 18e eeuw al vliegers die met twee of vier lijnen bestuurbaar waren, nu werd van die mogelijkheid opnieuw gebruik gemaakt onder de naam stuntvlieger.

ges5

 

Bij de laatste eeuwwisseling lijkt in veel landen de top van de populariteitsgolf bereikt. Het stuntvliegeren is in weinige jaren geëvolueerd tot een semi professionele sport, waarbij het prestatieniveau is gestegen tot wat alleen voor enkelen haalbaar is. De vliegers zijn daarbij in hoge mate verfijnd en worden steeds minder door hobbyisten zelf gemaakt.

ges6

Nauwelijks een halve eeuw is verstreken tussen de tijd waarin de meeste vaders voor hun kinderen nog een vlieger konden maken van latjes met papier en de huidige ontwikkeling waarbinnen topvliegeraars de wereld rondreizen om hoge geldprijzen in de wacht te slepen met ronduit acrobatische prestaties op het land, op het water of zelfs in de lucht. Wat dat laatste betreft heeft de geschiedenis zich herhaald, want opnieuw is een categorie vrij vliegende apparaten uit de vlieger voortgesproten onder namen als hanggliders, parapentes en ultralights, de “bromfietsen” onder de vliegtuigen.

ges7

Is de vlieger begonnen als het eerste stuk speelgoed? Nee, want de pop was er eerder. Maar die vlieger mag toch wel een vroeg staaltje van hoogwaardige technologie heten. Wie kwam toch op dat idee en hoe? Er is binnen de zichtbare natuur geen voorbeeld van een vlieger te vinden. Er bestaat geen spinnetje dat zich aan een draad perfect omhoog laat waaien! In wezen is de vlieger dan ook geen toevalsmechanisme, want de twee relevante natuurkrachten, zwaartekracht en windkracht, worden bij de vlieger op geraffineerde wijze bewust tegen elkaar uitgespeeld, met als resultaat dat de vlieger niet de horizontale windbeweging volgt en zelfs tegen de zwaartekracht in omhoog klimt. Nogmaals: Wie vond zoiets vernuftigs uit en hoe ?

ges8

We kunnen er alleen maar naar gissen en voor wat het hoe betreft vond ik in een Chinees boek* een vijftal veronderstellingen van mogelijke inspiratiebronnen die geen van alle overtuigend zijn, maar evenmin als mogelijkheid kunnen worden uitgesloten.

Het eerste verhaal gaat over een boer wiens bamboe hoed door een windvlaag werd opgelicht en die nog juist de draad wist te grijpen welke aan de hoed zat. Die hoed bleef toen even in de lucht hangen aan de strakke draad. Dat voorval zou tot de eerste vlieger hebben geïnspireerd.

De tweede veronderstelling gaat uit van boombladeren die in de wind kunnen dwarrelen en soms hoog opwaaien. Men zou er in lang vervlogen tijden een spel van hebben gemaakt om bladeren aan dunne draden in de wind te laten waaien en hieruit geleidelijk tot de vlieger zijn gekomen. Een feit is dat vliegers, gemaakt van plantenbladeren op verschillende plaatsen in Azië en Polynesië tot in de twintigste eeuw zijn aangetroffen.

Onafhankelijk hiervan is er een derde veronderstelling die berust op de reeds zeer vroeg bedreven zeilvaart. De technologische stap van een zeilboot naar een vlieger is aanzienlijk, maar niet ondenkbaar, vooral nadat er zeilboten kwamen die het zeil onder verschillende hoeken met windrichting en vaarkoers konden benutten.

Een vierde poging tot verklaring, uitgaande van een tent als onderkomen van nomaden, die bij sterke wind wel eens het luchtruim wil kiezen, lijkt minder voor de hand liggend, maar niet geheel uit te sluiten. Dat ten slotte de vlucht van vogels de mens heeft doen verlangen, ook te kunnen vliegen, dat staat vast. Maar of de vogel als vorm rechtstreeks tot de eerste constructie van een vlieger heeft geleid, daarvoor zijn toch niet zo veel aanwijzingen. Wel is dat later vaak gebeurd, toen de vlieger al bestond. Niettemin bestaat er een Chinese legende over een houten vogel die de eerste vlieger zou zijn geweest.

Opmerkelijke voorvallen uit de geschiedenis van het vliegeren.
Tot circa 1000 v.Chr.
Dit boek is vooral gericht op de praktijk van het vliegeren. Daarom gaan we niet tot in
detail in op de overigens vaak interessante ontwikkelingen die de vlieger in de loop
der tijden doorlopen heeft. Daarbij komt dat inmiddels alles wat maar, zelfs bij
gerucht, bekend is over de geschiedenis van het vliegeren reeds zo uitvoerig en
wetenschappelijk onderbouwd beschreven is, dat wij weinig of niets toe te voegen
hebben en slechts in herhalingen zouden kunnen vervallen.
Dit hoofdstuk, een beknopt overzicht van opmerkelijke gebeurtenissen, is dan ook
voornamelijk bedoeld om je de weg te wijzen naar relevante “bronnen” indien je,
enthousiast geworden door dit boek, meer wilt lezen over vliegeren. We noemen hier
meteen maar de ‘bijbels’ van de Amerikaanse vlieger-historicus Clive Hart en de
veelvuldig gelauwerde grafisch ontwerper en meer dan gewoon vlieger-hobbyist David
Pelham uit Engeland.
Niets is zeker. Tot op de dag van vandaag blijft het gissen naar de oorsprong van de
vlieger, naar de herkomst van de technische ‘truc’ die het mogelijk maakt om zo
plezierig met hem te kunnen stoeien. Het is waarschijnlijk dat de vlieger in
verschillende culturen gelijktijding ontdekt werd. Zonder dat de eerste vliegeraars op
de hoogte waren van elkaars activiteiten.
± 1000 v.Chr.
In het algemeen echter nemen we aan dat de vlieger uitgevonden werd in het oude
China, waar allerhande vliegerexperimenten plaatsvonden. Bewaard gebleven
documenten bevatten behoorlijk veel verhalen waarin de vlieger een rol speelt. Wat
daar wel en niet waar van is, valt moeilijk te bepalen. J. Needham publiceerde
niettemin, inmiddels gezaghebbend over de geschiedenis van de vlieger in China.
± 500 v.Chr.
Uit hiërogliefen op steen en papyrus zou je kunnen afleiden dat Egyptenaren al in een
zeer vroege periode vertrouwd waren met vliegers. Neem bijvoorbeeld de inhoud van
de olifant papyrus uit ongeveer ± 500 v.Chr. Hierin staat een verhaal over jongens die
vlogen op de rug van getrainde adelaars. Aan de poten van deze vogels waren lijnen
bevestigd. Zo kon gemeten worden hoever een bepaald punt gelegen was halverwege
hemel en aarde; het punt diende namelijk om de top te bepalen van het nieuwe
paleis van de farao. Er zijn geleerden die menen dat het goed mogelijk is, dat die
jongens aan vliegers omhoog gingen. Met andere woorden: de eerste bemande
vliegervluchten in dit deel over de wereld. Deze interpretatie is niet zo vreemd, want
in verschillende talen hebben de woorden ‘vlieger’ en ‘vogel’ dezelfde betekenis.
± 400 v.Chr.
Over een ‘vogel’ gesproken: documenten maken gewag van zogenaamde ‘vliegende
houten vogels’, waarvan men veronderstelt dat het oervormen van vliegers geweest
zijn.
Zo is er een verhaal over experimenten van de Chinese ingenieur Kungsjoe Phan,
tijdgenoot van de beroemde wijsgeer Confucius (551-479 v.Chr.). Hij zou de bouwer
zijn van een ‘houten vogel’ die gedurende drie dagen onafgebroken gevolgen had. De
wijsgeer Mo Ti (479?-381? v.Chr., waarschijnlijk de invloedrijkste en belangrijkste
tegenstander van Confucius, is vervolgens een andere bron ook constructeur geweest
van een ‘houten vogel’ die vliegen kon. Onmogelijk lijkt het niet, want Mo Ti hield zich
naast politiek-filosofische zaken, religie, chemie en methodologie, ook bezig met
fysica en logica. De volgende stap was een ‘houten vogel’ met klapwieken. Die werd
uitgevonden en gebouwd door ene Chang Heng. Dat staat althans te lezen in een
goed gedocumenteerd verslag uit de 2e eeuw n.Chr.
Als we de prozaschrijver Aulus Gellius mogen geloven, kende men in Europa in
dezelfde tijd ook ‘houten vogels. Deze Romein schreef tijdens een langdurig verblijf in
Griekenland een werk dat uit twintig delen bestaat; het bevat aantekeningen op het
gebied van taal, literatuur, oudheden, filosofie recht en natuurwetenschap. In deel tien
is sprake van een ‘houten duif’, die uitgevonden zou zijn door Archytas van Taras. Dit
was een Griekse wiskundige, wijsgeer en staatsman, die leefde in de eerste helft van
de 4e eeuw v.Chr. Deze Archytas, die een vriend was van Plato, heeft inderdaad veel
uitvindingen gedaan. Onder andere zogenaamde ‘automata’ waartoe ook die
‘vliegende duif’ behoort. Daarom wordt Archytas wel eens gezien als de vader van het
vliegeren in het Westen.
± 200 v.Chr.
Keizer Kau-tsoe had een plan bedacht om het leger van zijn tegenstander, generaal
Hoean Theng, de stuipen op het lijf te lagen. Hij liet ‘s nachts boven het kamp van de
vijand vliegers op. Aan de boog van de vliegers had hij reepjes bamboe laten
spannen, zodat een akelig lawaai geproduceerd werd. Han Hsin, eveneens generaal in
China, moest ergens in deze tijd een vlieger gebruikt hebben om de afstand te meten
tussen de positie van zijn manschappen en een paleisstad die hij diende te veroveren.
Zo kon hij bepalen hoelang de onderaardse gang moest worden via welke hij zijn leger
de stad bij verrassing wilde laten innemen.
Dit zijn de eerste voorbeelden van het gebruik van de vlieger als militair-tactisch
attribuut. Wij zullen zien dat in dit verband verschillende mogelijkheden bedacht en
benut werden tot ver in de Tweede Wereldoorlog. Over deze en nog veel meer zaken
aangaande de allereerste vliegeractiviteiten schreven, naast reeds genoemde
Needham, onder andere B. Laufer, A.C. Haddon en J.J.M. De Groot.
Rond het begin van onze jaartelling.
Spoedig na de prille experimenten in China wed de vlieger bekend in andere landen in
Azië. Via Indo-China (Cambodja, Laos en Vietnam) maakte Japan kennis met de
vlieger en daarna Maleisië, Birma, Thailand, India, Indonesië, Korea, Maleisië en
Polynesië. Er bestaan allerhande overleveringen in al die landen. Die beweren dat de
vlieger een eigen uitvinding is. Vlieger en vliegeren in die afzonderlijke landen komen
uitvoerig aan bod in interessante publicaties van bijvoorbeeld Choe Sang-Su, S. Culin,
W. Müller, E.S. Morse, H.A. Dewall, Kijang Puteh, H.G.Q. Wales, N.K. Chadwick, W.D.
Westervelt en W.W. Gill.
± 200 n.Chr.
In Europa maakten de romeinse legers gebruik van de zogenaamde dracones. Dat
waren windzakken aan een stok, vaak wild beschilderd of in de vorm van een draak.
Ze diende om de vijand bang te maken, maar waren voor de eigen boogschutters ook
handig, omdat daarmee de kracht en de richting van de wind bepaald kon worden.
Gaandeweg kregen deze ‘vliegers’ andere vormen en rond 125 n.Chr. hadden zijn
bijvoorbeeld vleugels en werden ze als zogenaamde windzakvliegers vrij meegevoerd
aan een lijn.
Vanaf de 6e eeuw n.Chr.
In Chinese legerkringen begon het gebruikelijk te worden met behulp van vliegers
berichten, opdrachten, enzovoort door te geven. Deze speciaal bewerkte vliegers
vielen bijvoorbeeld tussen krijgsgevangenen genomen kameraden. Op de vliegers
kon dan de alleen voor hen begrijpelijke instructie staan in opstand te komen en te
vluchten. Vele varianten zijn bekend op deze vroege vorm van ‘luchtpost’. Men
bedacht al heel snel allerhande toepaszingmogelijkheden voor de vlieger. We noemen
al die mogelijkheid dat men in Egypte bemand vliegerde. Waarschijnlijk gebeurde dat
ook al vroeg in China voor zowel militaire als civiele doeleinden. Vliegen als vorm van
amusement, als volksvermaak, kwam pas veel later in zwang. Dat was in China ten
tijden van de Soeng-dynastie en werd direct zeer populair. De oorsprong van de thans
nog bekende ‘vlieger dag’ een festival op de 9e dag van de 9e maand, dateert uit die
tijd. In vele landen speelt de vlieger tegenwoordig bij belangrijke feesten een rol. In
Vietnam bijvoorbeeld tijdens het feest van Têt, de nieuwjaarsdag in Annam. In
Thailand is het vliegen zelfs uitgegroeid tot een nationale sport met zeer strenge
regels. Gedurende het seizoen, dat loopt van februari tot april, voeren vele teams
strijd met behulp van verschillende ‘pakpaos’ (zogenaamde vrouwelijke vliegers met
een lengte van ongeveer vijfenzeventig centimeter) en één ‘chula’ ( de mannelijke
vlieger die vaak meer dan twee meter meet). In landen als Indonesië is er het
bekende gebruik ‘vechtvliegeren’. Het is een manier om bijvoorbeeld een ruzie te
beslechten. Men ‘vecht’ dan met speciaal gebouwde vliegers. Winnaar is degene die
met de eigen bewerkte vliegerlijn (vislijn en glasscherven) de lijn van de ‘vijand’
doorsnijdt.
Ook in het (volks)geloof speelt de vlieger een voorname rol. Tot aan het eind van de
vorige eeuw vliegerden boeddhistische monniken onder het bidden en zingen om de
kwade geesten te weren of juist de aandacht te trekken van de goede, wiens hulp ze
nodig hadden. In landen als Korea en Maleisië met heel karakteristieke
vliegermodellen, schreven mensen hun narigheid en ellende van de afgelopen tijd op
een vlieger. Daarna werd hij zo hoog mogelijk opgelaten en vervolgens de lijn
gebroken. Met het uit het zicht raken van de vlieger zouden ook de problemen
verdwijnen en kon men met grisse moed opnieuw beginnen. Deze zorm van geloof
bestaat nu nog wel en uit zich bijvoorbeeld via ook voor andere doeleinden te
gebruiken ‘boodschappertjes’. Dit zijn briefjes, maar ook allerhande andere zaken, die
langs de vliegerlijn naar boven gestuurd worden.
± 700.
Via Birma en India raakten de vliegers bekend in de Arabische landen en Noord-Afrika.
10e eeuw.
De beroemde Chinese vliegerbouwer Li Yeh zal zonder twijfel een zwak voor muziek
gehad hebben. Hij bevestigde namelijk windharpen en fluiten aan zijn vliegers.
Hierdoor ontstonden concerten die aangenamer geklonken hebben dan dat akelige
vliegergeluid van Lioe Pang (±200 v.Chr.). Als Jules Verne (1828-1905) in een van zijn
wonderbaarlijke reisverhalen het luchtschip ‘Albatros’ Peking laat bereiken, zien de
reizigers honderden vliegers in allerlei vormen. Het was een orkest van vliegers, dat
prachtige muziek maakte.
1289/99.
In Italië was de Venetiaanse koopman en eerste Europese beschrijver van het verre
oosten, Marco Polo (1254-1324), in de gevangenis dicteerde de wereldreiziger het
relaas van zijn tochten aan Rustichello of Rustichiano van Pisa. Dankzij dit verslag
hebben wij een aardig inzicht in de toenmalige vliegpraktijken. Hij vertelde vooral over
onmenselijke uitspattingen bij het bemand vliegeren.
Vanaf de 13e eeuw.
Vlieger en kunst. Zowel vroeger als nu is geprobeerd om vliegers zo kunstig mogelijk
uit te voeren qua vorm, beschilderingen, versieringen, enzovoorts. Eertijds was het in
Siam, het huidige Thailand, heel gebruikelijk met nieuw gebouwde vliegers naar het
hot te gaan in de hoop dat ze de goedkeuring van de vorst zouden kunnen
wegdragen. Raakte hij door de schoonheid van de getoonde goed gemutst, dan was
de zaak om te proberen gunsten af te smeken.
In japan is het beschilderen van vliegers ook nu nog een belangrijke aangelegenheid
het is daar een zeer gewaardeerde vorm van kunst. Hedendaagse meesters in het
Land van d Rijznde Zon zijn onder andere: Teizo Hasjimoto, Toranosoeko Watanabe,
Tatsoesaboero Kato, Tsoezan Josjitani en de eminente vliegerbouwer Matsoetaro
Janase. In het Westen valt vooral de Amerikaanse beeldhouwer Tal Streeter op door
zijn integratie van moderne westerse beeldende kunst in klassiek gebouwde Japanse
vliegers.
1326.
Het eerste voorbeeld van een Europese vlieger of draak kennen wij van een schets uit
het jaar 1326. helaas is het niet meer dan een schets, want het staat in een gedeelte
van Walter de Milemete’s manuscript dat nooit uitgewerkt werd. Meer informatie over
de door hem bedoelde constructie zullen we dan ook nooit krijgen.
±1405.
Wat dat betreft was Conrad Kyeser heel wat duidelijker toen hij, bij de beschrijving
van militaire technologie, als eerste in Europa op de proppen kwam met een
vaandelvlieger. Al spoedig werd duidelijk dat hij een vlakke vlieger met een
veelkleurige staart beschreef. Clive Hart gaat gedetailleerd in op deze opvolger van de
windzakvlieger en de varianten ervan.
±1430.
In een Weens manuscript van ongeveer een kwart eeuw later, treffen wij een vlakke
vlieger van perkament aan. Voor zover bekend is dit de eerste vermelding van zon
exemplaar in Europa.
1557-1560.
De Italiaanse medicus, wiskundige, astronoom en wijsgeer Geronimo Cardano schreef
in 1557 over de beroemde ‘houten duif’ van Archytas en andere ‘vliegers’. Een jaar
daarna had zijn landgenoot en natuuronderzoeker Giambattista della Porta (1534/5-
1615) het over een vliegend zeil, dat bij nader inzien een eenvoudige rechthoekige
vlieger bleek te zijn. In het zelfde boek doet Della Porta ideeën aan de hand om
lantaarns en vuurwerk door middel van vliegers in de lucht te brengen. Johannes
Schmidlap schreef daarop volgend in 1560 ook over vuurwerk in relatie tot vliegers.
1618.
Op een Nederlandse kopergravure uit 1618, bekend onder de titel Sinne Beelden Ende
Leere der Seden, is voor de eerste keer in Europa de praktijk van het vliegeren
afgebeeld. Wij zien op deze gravure van Chrispijn van de Passe een plein in
Middelburg. Tussen spelende kinderen staat een rennend jongetje afgebeeld met een
touw in zijn hand. Aan het andere uiteinde daarvan is een vlieger geknoopt. Net zoals
op latere prenten te zien is (bijvoorbeeld de ‘verluchtingen’ die de Nederlandse
schilder, tekenaar, illustrator en dichter Adriaen Pietersz. van de Venne maakte voor
het in 1625 gepubliceerde boek Houwelyck, dat is de gansche gelegenheyt des Echten
Staets van Jacob Cats) lijkt het model veel op dat van de thans bekende kruisvlieger
met staart. Vanaf die tijs is het beeld van kruisvlieger-staart-rennend jongetje
ingeburgerd geraakt.
En dan is er een opmerkelijk feit. Want op Japanse prenten uit de 17e eeuw uit
Nagasaki komen vliegers voor die precies dezelfde klassieke vorm hebben. Men zou
dus kunnen denken aan een verband tussen het vliegeren in deze Zeeuwse stad en
nagasaki. Kenners nemen dan ook aan dat betreffende vliegers door bemanningsleden
van schepen van de in die dagen bloeiende Nederlandse koopvaardij in verschillende
landen werd geïntroduceerd. Daarmee in overeenstemming zijn een tweetal
historische feiten. Allereerst is het zo dat alleen in Nagasaki en nergens anders in
Japan deze kruisvlieger-variatie gevlogen wordt. Opvallend is dat hij pas in nagasaki
gebruikt werd vanaf het moment dat de Nederlanders als enige Europeanen met
Japan handel mochten drijven. Ten tweede valt op dat de Japanners zo’n exemplaar
hata noemen, wat ook ‘vlag’ kan betekenen, en ze alleen voorzien van een rode en/of
witte en/of blauwe bekleding. Met andere woorden: er zijn gegronde redenen om aan
te nemen dat Nederlanders dit type vlieger in Japan bekend maakten. Dat
Nederlanders deze vlieger ook over de rest van de wereld verspreid zou hebben, is
moeilijker te bewijzen. Over de herkomst van vliegers in Europa publiceerde de
Duitser Hans Plischke een belangrijke studie.
1634-1646.
De Engelsman John Bate noemde weliswaar niet het woord vlieger, maar beschreef
wel tot in detail en met illustraties hoe je anno 1634 vuurdraken zou kunnen maken
en daarmee moest omgaan. Zijn landgenoot J. Babington schreef in 1635 over een
ingewikkelde vlieger, welhaast poëtisch ten tonele gevoerd ‘to represent the Sphere
moving in the ayre, without any other supportation’.
In 1636 leverde Daniël Schwenter een bijdrage tot de geschiedschrijving van de
vlieger door aanvullingen op en illustraties van de vindingen van Della Porta.
Schwenters complete materiaal vormde tenslotte in 1646 weer het uitgangspunt voor
vliegerexperimenten van de Duitse jezuïet, geleerde en uitvinder Athanasius Kircher
(1601-1680).
1689.
Bij de herovering van de toenmalige hoofdstad van Siam (thailand), Ayutthaya, schijnt
de koning op het idee gekomen te zijn om zijn vijanden te bestoken met explosieven
vanaf vliegers.
Begin 18e eeuw.
Langzamerhand werd vliegeren een bijzondere populaire vrijetijdsbesteding bij de
jeugd in Europa. Voor wetenschappelijke doeleinden gebruikte men de vlieger echter
nog niet. Daarin kwam verandering in het jaar:
1749.
Toen ondernamen Dr. Alexander Wilson en Thomas Melville meteorologische proeven
te Camlachie in Schotland. Met behulp van zes aan elkaar gekoppelde vliegers maten
zij de temperatuur in de lucht op verschillende hoogten, zoals P. Wilson later
beschreef. Het is tevens de eerste geregistreerde vlucht van een vliegertrein.
1752/53.
Verreweg de bekendste toepassing van de vlieger voor wetenschappelijke doeleinden
staat op naam van de Amerikaanse staatsman, schrijver en natuurkundige Benjamin
Franklin (1706-1790). In juni 1752 liet hij met behulp van zijn zoon de elektrische
vlieger op. Hij leverde daarmee het bewijs dat bliksem niets anders is dan elektriciteit
zoals die ook op de aarde wordt opgewekt. Naast zijn bevindingen, noteerde hij ook
aanwijzingen voor de bouw van deze vlieger.
Een Franse wetenschapper, rechter J. de Romas uit Nérac, betristte deze primeur van
Franklin. Hij zou hetzelfde reeds eerder bedacht hebben, zonder het ooit in praktijk
uitgeprobeerd te hebben. In mei 1753 ondernam hij een geregistreerde poging, doch
deze mislukte. Pas een maand later had De Romas uiteindelijk succes. Verschillende
onderzoekers hebben, in navolging van Franklin en De Romas, experimenten
uitgevoegd met de elektrische vlieger. Onder hen de Italiaan Fr. Beccaria te Turijn,
Vorst Dmitrij Aleksejevitsj Golitsyn en Dentan in ‘s-Gravenhage, de als eerste
ballonvaarder gevierde Pilâtre de Rozier, de Zwitserse wiskundige Leonard Euler
(1707-1783) en de Nederlandse natuurkundige Pieter van Musschenbroek (1692-
1761), die daarover een boek schreef. Goede publicaties verschenen ook van C.F.
Marvin en Tiberius Cavallo. Nuttige informatie over ‘vliegeren en onweer’ in de
praktijk, kun je tenslotte vinden in het tijdschrift vlieger.
1804.
Om te komen tot een heus vliegend voorwerp dat zwaarder is dan de lucht,
experimenteerde in Engeland Sir George Cayley (1773-1857) met vliegers van
verschillende vormen. Deze ‘vader van de luchtvaartkunde’ had zijn ideeën over het
ontwerp van een vliegtuig reeds in 1799 uiteengezet op een zilveren schijf. Hij
graveerde aan de ene kant zijn uitleg van de op een vleugel werkende krachten. Aan
de andere kant schetste hij zijn vliegtuig dat heel dicht de ontwerpen van de eerste
echte prototypen benaderde. Alleen de propeller ontbrak.
In 1804 construeerde Caylet een zweefmodel met vleugels gemaakt van
boogkopvliegers. Enige jaren later, in 1818, bouwde hij een zweefmodel met behulp
van vliegers, waarvan hij de vleugels de zogenaamde ‘V’-stelling had gegeven.
±1822.
inventieve vliegeraars ontdekten al heel vroeg dat de vaak enorme trekkracht van de
vlieger benut kon worden. Het is bekend dat bewoners van de Samoa-eilanden zich
door de vliegers lieten voortslepen in hun bootjes. Ook Franklin maakte melding van
soortgelijke ervaringen. Een zeer opmerkelijk gebruikmaken van de trekkrachten van
de vlieger is de vinding van de Engelse onderwijzer George Pocock. Samen met
kolonel James Viney kreeg hij in 1826 onder nummer 5420 patent op de door hen
daarvoor reed lang beproefde Char-Volant. Het betrof hier een wat je zou kunnen
noemen ‘vliegende jan-plezier’. Het was een licht rijtuigje dat, getrokken door
boogkopvliegers in een speciale uitvoering, vier à vijf personen kon transporteren met
een snelheid van meer dan 30 km per uur. Vliegeren was Pococks lust en leven. Zo
lukte het hem bij andere experimenteren zijn zoon en dochter afzonderlijk met behulp
van vliegers enige meters van de grond te tillen.
1827.
In Zwitserland woonde ook zo’n liefhebber: D. Colladon. Als kind presteerde hij het in
1827 om de ‘elektriciteitsproef’ van Franklin en De Romas te herhalen in het huis van
zijn ouders bij Genève. Met succes. Bliksemflitsen van een meter lang knetterden door
de woning. Maar daar is het niet bij gebleven. Opvallend waren ook zijn proeven
(vanaf 1844) met het langs de lijn van een vlieger naar boven sturen van allerhande
‘koeriers’. Die varieerden van bloemen en fruit tot en met een pop met een gewicht
van 6 kg, die in een rieten stoel zat en een paraplu bij zich had. Ook ontwikkelde
Colladon bestuurbare vliegers. Met exemplaren aan twee lijnen kreeg hij het voor
elkaar een boog van 200m in de lucht te beschrijven. En alsof dat nog niet genoeg
was – de hele buurt stond inmiddels op z’n kop – probeerde hij in Cologny het Meer
van Genève over te steken met behulp van een bijzondere constructie, waarbij ook
zo’n bestuurbare vlieger werd ingezet. Zelfs dat lukte. Jaren later pas schreef hij een
verslag over zijn bevindingen.
1835/36.
Door de groeiende belangstelling voor de vlieger kon het niet uitblijven: de oprichting
van een echte vliegervereniging. Het initiatief daartoe werd genomen in Philadelphia.
Pensilvania, VS, en resulteerde in de Franklin Kite Club. Het doel was het bevorderen
ven uitvoeren van experimenten, zoals meteorologische, waarover Cleveland Abbe
onder meer publiceerde. Daarnaast vloog men ook gezellig met uit China
geïmporteerde, fraai beschilderde vliegers.
1847.
Bijna een eeuw na de eerste proefneming met behulp van vliegers in de weerkunde
(Wilson en Melville in 1749), werd de waarde van dit ‘hulpmiddel’ voor deze
wetenschap steeds duidelijker. In het observatorium te Kew, thans een voorstad van
London, werkte W.R. Birt en Sir Francis Reynolds bijvoorbeeld met vliegers.
Aanvankelijk gebruikten ze de gangbare kindermodellen, maar die voldeden toch niet
aan de verwachtingen. Na enig denk- en constructiewerk meenden de onderzoekers
je-van-het gevonden te hebben een zeskant-vlieger of hexagon. Deze vlakke vlieger
werd op een normale wijze, dus met driepuntstoom en staart, aan één dwarsligger,
waardoor zij in staat waren het geheel aan drie lijnen in de grond te verankeren. Een
zeer stabiele vlieger, meende Birt, waaraan je op elk gewenst tijdstip instrumenten via
een eenvoudige methode kon ophijsen en weer binnenhalen. Andere weerkundige
experimenten werden in de 19e eeuw uitgevoerd door de Britse zeeofficier Sir William
Edward Parry en dominee George Fischer (tijdens Parry’s tweede poolexpeditie 1821-
23), door J.P. Espy (auteur van het in 1841 in Bosten gepubliceerde The Philosophy of
Storms) en de reeds genoemde Cleveland Abbe in de Verenigde Staten van America,
Fr. Van Rysselbergh in België (1880) en Hervé-Mangon in Frankrijk ( tot eind 1879).
Prof. A. Popov te Moskou en Kazan filosofeerde er wel over in Rusland, maar van
daadwerkelijke proeven schijnt daar geen sprake geweest te zijn. De Engelse
meteoroloog E.D. Archibald komt echter de eer toe de eerste te zijn geweest die de
vlieger als series weerkundig gereedschap introduceerde en gebruikte. We zullen hem
in 1883 weer tegenkomen. Een artikel over de ‘meteorologische vlieger’ staat in het
tijdschrift vlieger.
In 1847 ook, lukte het een niet met de naam bekende jongen zijn vlieger over de
ravijn bij Niagara Watervallen te vlieger. Hij overbrugde daarmee een afstand van 240
meter. Met zijn vliegerlijn legde hij de basis voor de bouw van de eerste hangende
spoorbrug tussen de VS en Canada.
1853.
M.D. Teenstra schreef over het oplaten van vliegers-Draken gneoemd in Groningen in
de kinderwereld, ernst en luim.:’de vrolijke Piet met zijn kleinen vlieger, die ginds bij
de wring staat, houdt het lijntje goed vast, en zijn vlieger staat zoo stil en stevig in de
lucht, alsof het een vlak of klemvogel was….’.
1859.
De vlieger diende in de jaren vijftig van de vorige eeuw niet alleen als speelgoed,
maar werd ook gebruikt bij steeds gewaagdere experimenten. Met name werd deze
gebruikt bij de ontwikkeling van geavanceerde systemen om mensen aan een
vliegerlijn omhoog te krijgen. Dit zogenaamde ‘manliften’, waarover thans nog steeds
het nodige te doen is, kwam in dit hoofdstuk al eerder aan de orde en zal verderop
nogmaals de revue passeren. Hier wijzen wij kort op proefnemingen van de Franse
kapitein-ter-zee en amateurvlieger Jean-Marie le Bris uit het Bretonse Douarnenez
(rond 1857), zijn landgenoot DR. Jules Laval uit Dijon (1954) en vooral op de
werkzaamheden van de Ierse priester FR. E.J. Cordner. Naar het schijnt was hij de
eerste die een volwassen persoon daadwerkelijk omhoog bracht. Dat gebeurde met
behulp van een speciale constructie voorzien van een vliegertrein van zeskanten.
Cordner bedacht en bouwde die met de bedoeling opvarenden aan land te vliegen bij
mogelijke schipbreuk. Hoewel hij zijn creatie in 1859 met succes testte en er het jaar
daarna patent op kreeg, is zijn reddingsvlieger waarschijnlijk nooit in de praktijk
gebruikt. Soortgelijke experimenten met reddingsvliegers werden uitgevoerd door de
Fransen C. Jobert (1887), Emile Wens (±1900) e , eveneens rond de eeuwwisseling,
door de toenmalige voorzitter van de Franse Vliegerbond, Joseph Lecornu. Deze kreeg
bekendheid door zijn constructie van opvallende modellen, als de ladder- en
cellenvliegers. Verdere experimenteerden de Britse admiraal Sir Arthur Cochrane en
de Amerikaan Woodbridge Davis. Gedetailleerde informatie over reddingsvliegers vind
je in publicaties van O. Chanute en F.H. Wenham.
1883.
de Engelse meteoroloog E.D. Archibald bracht in 1883 met succes windmeters in de
lucht met behulp van vliegers. Daardoor was hij in staat op verschillende hoogten de
windsnelheid te meten, hetgeen een revolutie was in die dagen. Archibald heeft
overigens nog een primeur op zijn naam staan. Hij was namelijk de eerste die in 1887
een luchtfoto maakte vanaf een vlieger. Na Archibald onderzochten vele deze nieuwe
mogelijkheid, onder hen de Fransman A. Batut. Deze kwam in 1888 op het idee om
met behulp van een vlieger luchtfoto’s te maken ter behoeve van topografische studie
en voor het onderzoeken van moeilijk bereikbare plaatsen. De amerikaan Gilbert
Totten Woglom liet in 1895 weten de eerste in de VS te zijn geweest die goede
resultaten boekte met luchtfotografie vanaf een vlieger.
In de loop der jaren is deze ‘kunst’ uitgegroeid tot een apart onderdeel van het
vliegeren, waarbinnen ontdekking en vormgeving van specifiek gereedschap en
hulpmiddelen steeds meer mogelijkheden bieden.
Nu we het toch over het duo vlieger en foto schrijven, mag niet onvermeld blijven dat
in 1966 de Nederlander H.A. Van Meekeren, beroepsfotograaf en ook wel bekend
onder de naam ‘Flying Dutchman’, met een opvallende foto de vermaarde The New
York Times haalde. Aan boord van de Statendam, een passagiersschip van de Holland-
Amerika-Lijn, had hij met hulp van zijn vrouw een ‘fotovlieger’ gebouwd. Dat was een
soort Franse militair exemplaar met aan de onderkant een vishengel, waaraan een
oude 1½x1¼ Zeiss et Netter-lens vastgemaakt was. Op bolle zee en bij een snelheid
van 20 knopen werd de vlieger opgelaten. Zo kon Van Meekeren een schitterende
‘bird-eye view’ van de boot maken, die in het Amerikaanse dagblad werd geplaatst.
1885/86.
Bemand vliegeren bleef in die jaren sterk in de belangstelling staan, zonder dat er
altijd succes was. Zo mislukte in Brussel op 8 oktober 1876 een poging van de
Engelsman Joseph Simmons, die al eerder met zijn pilot-kite allerhande merkwaardige
pogingen had ondernomen. Pas de Fransman Maillot (geboren 1844) zou zich serieus
bezighouden met bemand vliegeren.
Als gevangene tijdens de Frans-Pruisische oorlog zag hij in 1870 hoe pogingen om een
militaire verkenner op te laten stijgen door middel van een ballon voortdurend
mislukten. Dat bracht hem op het idee zoiets eens met vliegers te proberen. Het lukte
Mailllot uiteindelijk op 2 mei 1886 een vlieger met ballast van 65 kg omhoog te
krijgen; in een later stadium zou dat zelfs 270 kg worden aan een reusachtige vlieger.
Hij dacht er toen serieus over om zelf met een vlieger de lucht in te gaan, maar
medewerkers wisten hem van dit plan af te brengen. Daardoor bleven zijn
proefnemingen met ‘manliften’ beperkt tot louter vliegers-met-ballast.
Aan het einde van de 19e eeuw was Maillot verbonden aan het observatorium van
Trappes, waar hij zich bezig hield met meteorologische experimenten. De ontwikkeling
van een bliksemafleider voor vliegers was onder meer het resultaat.
1891/92.
Kwam Sir George Cayley in 1804 reeds op de stabilisatieverhogende ‘V-stelling bij de
bouw van zweefmodellen, het was de journalist en fotograaf William A. Eddy uit de in
1650 door Nederlandse handelaars gestichte stad Bayonne, New Jersey, VS, die deze
‘truc’ definitief herintroduceerde in de vliegerbouw. Voor de ontwikkeling van de
vlieger in het Westen is de verbetering van de constructie door toepassing van de ‘V’-
stelling, waarschijnlijk ook reeds bekend bij de oude Chinezen, van groot belang
geweest.
Behalve met deze ‘revolutie’, heeft Eddy zich ook bezig gehouden met experimenten
op het gebied van gebruik van de vlieger voor fotografische en meteorologische
doeleinden.
1893.
Lawrence Hargrave (geboren in 1850 te Greenwich, Engeland) woonde in Nieuw Zuid
Wales te Australië. Hij werd geobsedeerd door het idee gemotoriseerd te kunnen
vliegen. Experimenten volgden elkaar in hoog tempo op en dat resulteerde in de
nodige vlieger-variaties. Vlakke vliegers, ‘V’-vormige modellen en in 1893 het
hoogtepunt uit zijn loopbaan; de doosvlieger. Door hun enorme stabiliteit en grote
stijgkracht waren Hargrave’s doosvliegers weldra zeer geliefd voor proefnemingen bij
‘manliften’ en ‘luchtzeilen’. Tot ±1933 werden zij veel gebruikt bij weerkundig
onderzoek. Hargrave zelf paste ze toe bij zijn ontwerpen voor een vliegtuig en in 1894
vloog hij aan een aantal gekoppelde doosvliegers vier meter boven de grond. In 1899
kwam hij met enige modellen naar London en gaf daar colleges over zijn bevindingen.
Het tijdschrift vlieger heeft in de loop der tijd veel aandacht geschonken aan
Hargrave, zijn doosvliegers en varianten daarop. Een vrij recente, andere bouwwijze
resulteerde in prof. waldof’s box kite. Zeer bekend is ook de franse-militaire
doosvlieger, loodsvlieger of gewoon conyne, zo genoemd naar zijn ontwerper, de
amerikaanse Silas J. Conyne, die daarop in 1902 patent kreeg.
1894.
Ballonvaard B.F.S. Baden-Powell, broer van de oprichter van de padvindersbeweging,
hield zich, in navolging van Maillot, bezig met ‘militair manliften’. Hij voerde dit soort
experimenten uit om tot de oprichting van een geheel nieuw onderdeel binnen het
Britse leger te komen, namelijk dat van ‘luchtverkenners’. Op 27 januari 1894 slaagde
hij erin te Pitbright Camp, Engeland, een man op tij hijsen aan één enkele vlieger. In
1895 kreeg hij patent op zijn levitor, een systeem van gekoppelde, kleine vliegers,
waarmee hij zichzelf en anderen tot dertig meter hoog wist te brengen. Een
wetenschapper die dankbaar gebruik maakte van dit systeem was de Italiaanse
ingenieur, markies Guglielmo Marconi (1874-1937). Door een ontvangststation met
behulp van de levitor 122 meter omhoog te brengen, kon hij op 12 december 1901 via
signalen communiceren tussen Poldhu in Cornwall, Engeland en St.-John’s op
Newfoundland, Canada. Daarmee kwam zijn eerste trans-Atlantische, draadloze
radiocontact tot stand.
1896/97.
Ook in de verenigde staten van Amerika experimenteerde men met ‘manliften’. De
eerste geslaagde poging aldaar staat op naam van de ondernemende vliegeraar
luitenant Hugh Wise. Hij tilde zichzelf van de grond aan 2×2 gekoppelde doosvliegers
van Hargrave.
Zijn landgenoot Charles J. Lamson hield zich in deze jaren vooral bezig met
‘personenvliegers’. In juni 1897 zeilde hij ongeveer een half uur op 15 m hoogte. Hij
gaf zijn lamson’s aercurve kite een zodanige vorm (twee- c.q. Driedekker), dat deze al
aardig in de buurt kwam van de allereerste vliegtuig-typen. In feite begonnen hiermee
de experimenten met ‘luchtzeilen’ of ‘zweefvliegen’, de prille stappen op weg naar
gemotoriseerd luchtverkeer. Aan de eerste geslaagde poging om met een motor
aangedreven vliegtuig te vliegen van de Amerikaanse gebroeders Wright in 1903,
zouden nog heel wat experimenten vooraf gaan. Niet zelden werden Hargrave’s
doosvlieger gebruikt bij proefnemingen van pioniers als Otto Lielienthal, Percy Pilcher,
Octave Chanute, Gabriël Voisin, Ernest Archdeacon en Louis Blériot.
1897.
Chinezen waren niet allen op het ide gekomen fluitjes aan vliegers te bevestigen om
muziek voort te brengen of een hels kabaal te veroorzaken, maar zij schijnen deze
combinatie ook gebruikt te hebben voor het drijven van wild bij de jacht. Dat bracht
Parijse jagers op het idee om eens met een “vliegermeute’ op stap te gaan. Zij
maakten daartoe vliegers in de vorm van een sperwer en lieten de dagbladen weten
dat ‘patrijzen daarvan zo zouden schrikken dat je alleen nog maar hoede te bukken
om ze op te rapen’.
±1900.
Rond de eeuwenwisseling werden met name op initiatief van de Aeronautical Society
of Great Britain in Engeland de nodige vliegerwedstrijden uitgeschreven. De
competities vonden overigens ook in andere Europese landen plaats. Graag geziene
gaste waren bijvoorbeeld Baden-Powell en Samuel Franklin Cody en zijn zoon Leon,
die wij hierna nog zullen tegenkomen (1906) bij deze wedstrijden werden vrijwel altijd
de hoogste prijzen in de wacht gesleept door Charles Brodgen. Hij had een speciale,
zeer grote, zesvleugelige, lichtgewicht vlieger ontworpen. De Brodgen, waarmee
sommige vliegeraard nu nog met genoegen vliegeren.
1901.
Bewoners van Indonesië, Micronesië en Polynesië gebruikten de vlieger, toen ze die
eenmaal kenden, al vrij snel als visvanger. In Europa duurde het veel langer voor de
vlieger als hengelalternatief werd gebruikt. In 1901 schijnt een creatieve Engelse
visser het hier voor de eerste maal geprobeerd te hebben. Latere experimenten in
Amerika met de visvlieger kunnen wij samenvatten met woorden van kapitein Timmy
Grifford: ‘The kite is such a wonderful fishing machine”.
1906.
Baden-Powell kreeg het ondanks zijn inspanningen niet voor elkaar en door hem
ontwikkelde vliegersysteem voor luchtverkenning in het leger doorgevoerd te krijgen.
Dat lukte Samuel Franklin Cody, die in 1861 in Birdville, Texas, VS, geboren was,
maar sinds 1890 in Engeland woonde. Cody was een kleurrijk figuur met een riant
verleden als cowboy, paardenvanger en -africhter, buffeljager, goudzoeker, variétéartiest,
scherpschutter en fameus lassowerper. Dankzij de hobby van zijn zoon Leon
kwam hij in contact met de vliegerwereld. Hij raakte er zo door geboeid dat hij de
liefhebberij van zijn kind overnam. Aanvankelijk was het een vrijetijdsbesteding, maar
door steeds betere inkomsten uit zijn musichall voorstellingen kreeg Cody geld om te
experimenteren. Uiteindelijk resulteerde dat in zijn, in 1901 gepatenteerde batvlieger,
een combinatie van gekoppelde Hargrave-achtige doosvliegers met twee
cellen. Het Britse ministerie van Oorlog raakte overtuigd van het nut van Cody’s
constructie en keurde het in 1906 officieel goed als militair attribuut. Cody werd
gelijktijdig benoemd tot officier en kreeg de functie van ‘Chef Vliger-Instructeur” te
Farnborough, Engeland. Deze stad in het graafschap Hampshire ten zuidwesten van
London is nu nog bekend vanwege haar vliegertuigindustrie, luchtvaartlaboratorium
en jaarlijkse ‘Flying Display”.
Tot het moment dat vliegtuigen definitief hun intrede deden, bleef de oorlogsvlieger
behoren tot de belangrijkste militaire ‘wapens’ van Groot-Brittanië. Soldaten werden
hiermee voor verkenning omhoog gestuurd en konden uitgerust zijn met een camera,
telescoop, telefoon of schiettuig. Terwijl Cody ook experimenteerde met vliegers ten
behoeve van de meteorologie, was hij in 1908 de eerste in Engeland die een heus
vliegtuig bouwde. Door een ongeluk met zijn laatste creatie, de ‘Waterplane’, kwam
hij in 1913 om het leven.
Cody’s vliegerverkenningssysteem kreeg in vele varianten navolging in de wereld. In
het Russische leger bijvoorbeeld door toedoen van luitenant Schreiber en kapitein
Oeljanin. In Frankrijk door de kapiteins Madinot en Saconney. Het Duitse leger maakte
in de Tweede Wereldoorlog nog gebruik van vliegers om het verkenningsbereik vanaf
U-boten te vergroten. En om nog at andere toepassingen te noemen in dit verband:
de Amerikaanse marine gebruikte vliegers zowel om vliegtuigen te verdrijven (1911)
als voor schietoefeningen (Tweede Wereldoorlog). Voor de bescherming van konvooien
hanteerde zij zogenaamde versperringsvliegers, naar een vinding van Harry C. Sauls.
1910.
De uitvinder van de telefoon, de Amerikaanse technisch fysicus Alexander Graham
Bell (1847-1922), probeerde tot 1910 om met behulp van vliegers een vliegtuig te
bouwen. Beroemd werden zijn ‘Frost King’ (1905), Cygnet (waarmee een eerste
bestuurde, bemande vlucht in 1907 werd uitgevoerd door de Amerikaanse luitenant
Thomas E. Selfridge) En de Cygnet II.
Wat Bell, oprichter van de Aerial Experiment Association, op vlieger- en vlieggebied
bedacht en uitvoerde, kan men zien in het naar hem genoemde museum in Baddeck,
Nova Scotia, Canada.
1915.
beeldend geschreven verslagen van balloncommandant W. Pottum in tijdschriften als
Avia en Het leven geven ons de indruk van het vliegeren in Nederland rond 1915. In
een ander periodiek, De Luchtvaart, werd regelmatig melding gemaakt van de
activiteiten van de Nederlandse Weerkundige Vliegervereniging. Deze boekte op haar
proefterrein in de duinen tussen Scheveningen en Wassenaar aardige resultaten onder
leiding van de Heren Nell en Koch.
1919.
Op 1 augustus van dit jaar bereikte boven Lindenberg, Oost-Duitsland, een trein van
acht vliegers een hoogte van 9740 meter. In de wetenschap dat tot op heden geen
goed georganiseerd hoogterecord van één enkele vlieger kon worden geregistreerd,
blijft deze stunt het uiterste dat ooit bereikt is.
Tot ± 1945.
door activiteiten binnen de zich razendsnel ontwikkelde vliegtuigindustrie, raakte de
vlieger een beetje in de vergetelheid. Experimenten vonden eigenlijk alleen nog maar
plaats in militaire kringen en voor het overige was vliegeren niet veel meer dan een
spel voor kinderen.
1945-1948.
Het is zonder twijfel de verdienste gewest van de Amerikaan Francis M. Rogallo dat er
verandering kwam in deze situatie. Als luchtvaartingenieur bij het Nationale Bureau
voor Lucht- en Ruimtevaart in Virginia kwam hij tot de conclusie dat flexibele vleugels
in principe veel stabieler kunnen zijn dan niet-buigzame exemplaren en dat, om een
goed vliegresultaat te krijgen, de vlieger zich moet kunnen aanpassen aan de
heersende wind. Na de nodige research en proefnemingen ontwikkelde Rogallo een
model dat aardig aansloot bij zijn filosofie: de flexibele vlieger. Gaandeweg
resulteerde zijn vindingen in wat wij nu kennen als de Deltavlieger en het zo gelegde
hand- en zweefwerk: Parasailing.
1950.
Een andere belangrijke ontdekking na de Tweede Wereldoorlog is de door de
Amerikaanse William M. Allison uit Dayton, Ohio, ontwikkelde Sleevlieger of
simpelweg Allison. Hij kreeg in 1956 patent op deze vlieger, die in feite uit niet meer
bestaat dan een stukje stof of plastic met daarop twee geplakte stokjes. In 1964
presenteerde Frank Scott, eveneens afkomstig uit Dayton, een gewijzigde versie met
twee (stabilisatie verhogende) openingen onderin.
1963.
De meest recente vliegervormexperimenten – waaraan bijvoorbeeld de Leidse
hoogleraar in de geofysica J.G. Hagedoorn met berekeningen een bijdrage leverde –
vinden plaats met de zogenaamde Parafoil. Dat is een vinding van de Amerikaan
Domina C. Jalbert uit Boca Raton, Flori1da, en heeft een enorm potentieel aan
mogelijkheden (hefwerktuigen, parachute, enzovoorts). In de parafoil bracht Jalbert
elementen van de vlieger, ballon en parachute samen tot het lichtste zweeftoestel dat
wij thans kennen.
Door toedoen van Rogallo, Allison en Jalbert, werd de vlieger dus opnieuw onderwerp
van de wetenschappelijke studie en experimenten. Maar ook in de recreatieve sector
is de vlieger weer zeer populair, dankzij nieuwe, vaak buitengewone attractieve
toepassingen.. het is ondoenlijk een overzicht te geven van het bijna dagelijks
toenemende aantal interessante vliegervarianten. Daarvoor kan men terecht in
vaktijdschriften als het Nederlandse Vlieger. Toch willen we een paar modellen
noemen. Zo zijn er bijvoorbeeld de meesterlijk bestuurbare stunters van Peter Powell
en verbeterde versies van zogenaamde autogyro’s. Laatst genoemde zijn vliegers met
een rotor die niet door een motto wordt aangedreven, maar door de luchtstroom. Een
aparte groep binnen de grote familie van samengestelde vliegers vormen de
driedimensionale, fraaie facetvlieger, ook wel vlakvliegers genaamd. En tenslotte is er
nog de zes-cellige wasseige van Fransman Robert Devautour.
Recente ontwikkelingen in Nederland.
Met name in de jaren zeventig nam de populariteit van het vliegeren in Nederland
enorm toe en kreeg zelfs een professioneel karakter. Zo opende bekwaam vliegeraar
en groot stimulator van het vliegeren, Gerard van der Loo, in december 1977 te ‘s-
Gravenhage de eerste Nederlandse winkel, gespecialiseerd in vliegers en alles wat
daar mee te maken heeft: Vlieger-op. Nu zijn er een aantal goed gesorteerde
vliegerspeciaalzaken.
In 1978 was Gerard van der Loo de initiatiefnemer en organisator van het eerste
internationale vliegerfestival in Nederland. Nu wordt dit Internationaal Fokker
Vliegerfeest jaarlijks in juni op het strand van Scheveningen gehouden en nemen veel
mensen uit belangrijke vliegernaties deel.
Zo’n vliegerfeest is natuurlijk bij uitstek de gelegenheid om met ‘vakbroeders’
ervaringen uit te wisselen en nieuwe contacten op te doen. Daar ontstond ook een
Nederlands samenwerkingsverband dat op 9 augustus 1981 bekend werd door op het
strand van Scheveningen te vliegeren met de grootste vlieger ter wereld. Deze
flexibele ‘CS 550′ heeft een oppervlakte van 550 m2 en een gewicht van ongeveer
230 kg. Gelijktijdig met het populair worden van de vlieger, nam ook de behoefte toe
aan alle mogelijke informatie omtrent het onderwerp. Binnen de informele
Nederlandse vliegervriendenrking ontstond het idee om een tijdschrift uit te brengen.
Door belangeloos medewerking van een aantal enthousiaste redacteuren,
correspondenten, fotografen en vormgevers, verscheen in januari 1982 het eerst
nummer van Vlieger. Dit tweemaandelijkse magazine, waarin ook abonnees
regelmatig op plastische wijze tekst en uitleg geven van hun experimenten, stelt zich
ten doel informatie uit binnen en buitenland te verstrekken betreffende de
vliegersport. Het blad wil daarnaast ook het beoefenen van het vliegeren en het
zelfbouwen en -ontwerpen van vliegers stimuleren.
De Nederlandse Herman van den Broek en Jan Pieter Kuil ondernamen met succes in
Uithuizen op 11 augustus 1984 een poging om met een vlieger van 650 m lengte te
vliegeren. Hierdoor kon voor Nederland andermaal een vliegerrecord worden
genoteerd: de langste vlieger ter wereld.
Tenslotte kreeg de Nederlandse vliegerwereld ook een officiële basis door de
oprichting van de stichting Nederlandse Vliegerpromotie te ”s-Gravenhage in
september 1984. het doel van deze stichting is het vliegeren in Nederland op
buitenlandse festivals en andere evenementen.